Samojedensprooksel
Het gebeurde lang geleden in een land hier ver vandaan. Een land zo koud,
dat de sneeuw nooit helemaal smolt en de meren al zo lang bevroren waren
dat je bijna zou vergeten dat ze uit water bestonden. In dit land leefde
de hond. Hij wist niet waar hij vandaan kwam of waar hij naar toe ging,
maar iets dreef hem voort. De hond wist niet waar hij geboren was of bij
wie hij hoorde maar hij dwaalde door de bossen, stak meren over en legde
lange afstanden af, alleen omdat zijn gevoel hem dat in gaf. Veel te eten
was er niet, maar af en toe lukte het hem om een vogel of een haas te
vangen. Omdat de hond niet de enige was met honger, moest hij voortdurend
op zijn hoede zijn voor ijsberen die geen bezwaar maakten tegen een maaltje
hondenvlees. Op een dag zag de hond een ander dier. Hij leek op een hond, maar was
iets kleiner, had een spitse snuit met blikkerende tanden een lange pluimstaart
en een vacht zo wit als sneeuw. Omdat het dier kleiner was dan hijzelf,
durfde de hond dichterbij te komen. Het dier was schuchter, maar niet
onvriendelijk. Toen hij door had dat de hond geen kwaad in de zin had,
vertelde hij dat hij een vos was. Een poolvos in zijn witte winterkleed
dat zomers zo donker als de toendra zou worden. De hond en de vos trokken
een tijdje samen op en de hond leerde voorzichtig en onzichtbaar te zijn
als een vos. Toen op een dag een hongerige ijsbeer in de buurt ronddwaalde
leerde de vos de hond hoe hij zich geheel onzichtbaar kon maken. De hond
rolde door de sneeuw tot zijn vacht zo wit was als de sneeuwvlakte en
de puntjes van zijn haar schitterden als ijskristallen in de zon. Vervolgens
rolde de hond zich op in de sneeuw, deed zijn diepbruine ogen dicht en
stak zijn zwarte neus in zijn, nu witte, staart. Voor de ijsbeer was de
hond geheel opgegaan in de witte omgeving en teleurgesteld blies hij de
aftocht. Hoewel de vos geen slecht gezelschap was, wist de hond dat hij niet blijven
kon en hij trok verder, door grote wouden waar de naaldbomen bedekt waren
met een dikke laag sneeuw. De hond dwaalde verder tot hij een groep dieren
zag, iets groter dan hijzelf, met gele ogen en oren die zich bewogen naar
elk geluid. De dieren straalden een kracht uit die de hond niet bezat.
Ze omsingelden de hond, die zich niet echt op zijn gemak voelde toen het
grootste beest hem uitgebreid besnuffelde. Omdat de hond een opvallende
gelijkenis vertoonde met de dieren, die wolven bleken te zijn, beschouwden
ze hem niet als prooi en werd hij opgenomen in de roedel. Zo leerde de
hond, behalve zo slim te zijn als een vos, ook te sluipen en huilen als
een wolf, te werken in groepsverband en zo hard te lopen dat hij de rest
van de roedel bij kon houden. Hoewel de hond zich veilig voelde binnen de roedel, bleef zijn onrust
knagen. Hij wist niet wat hij zocht, maar hij wist wel dat hij het nog
niet gevonden had en dat hij verder moest. En zo vervolgde de hond zijn weg, tot hij in de verte rook zag. Hij sloop dichterbij en zag in de schemer honden liggen bij een vuur. Hoewel de honden op hem leken, misten ze de sneeuwitte vacht. Een stukje bij de honden vandaan stond een huis, gehouwen uit ijs. De hond kreeg een vreemd gevoel, hij vermoedde dat het ermee te maken had dat de mens daar moest zijn….in het huis. Hij naderde de honden voorzichtig, krulde zich op en viel tussen de rest in slaap. Terwijl het nog donker was, kwam een man naar de honden toe, deed ze een voor een een tuig om en spande ze voor een slee. Omdat de hond niet op wou vallen, liet hij zich gewillig inspannen en trok met de anderen de slee voor de man over de vlakte. Toen het eerste ochtendlicht doorbrak ontdekte de man de spierwitte hond. Verbaasd bekeek hij het onbekende dier en vroeg zich hardop af waarom hij een onbekende hond zou houden als dat een extra maag betekende om te vullen. Tenslotte had hij honden genoeg om voor de slee te spannen. De man dacht na. "Als het jou lukt om mijn rendieren bij elkaar te houden en te beschermen mag je misschien blijven." De hond bekeek de kudde die verspreid over de vlakte stond en de laatste plukjes groen tussen de sneeuw vandaan graasde. Hij sloop in zijn eentje om de kudde, als een wolf die zijn prooi besluipt. Zo dreef hij de kudde bijeen. In de wetenschap dat hij van de vos, de wolf en de beer niets te vrezen had ging de hond vervolgens bij de kudde liggen, onderwijl zijn omgeving scherp in de gaten houdend. "Goed", sprak de man. "Je bent slim als een vos, je beweegt
je als een wolf, je bent moedig als een beer, trekt de slee als mijn eigen
honden en beschermt daarnaast mijn kudde. Maar hoe weet ik dat ik je echt
vertrouwen kan? Hoe weet ik dat je meer kan dan welke andere hond dan
ook? Als mens kunnen wij onze vijanden verdrijven. Het enige wat wij niet
kunnen verdrijven is de kou. Als het jou lukt om ons te verwarmen tot
in ons hart zal je naast ons mogen leven als een gelijke." De man hield woord. Voortaan leefde de hond naast de mens en omdat de
man het dier als een gelijke beschouwde kreeg hij ook de naam van de mens.
Hoewel de nakomelingen van de hond nu over de hele wereld verspreid zijn
hebben ze hun unieke uiterlijk en karakter nooit verloren. |
|